Wet en Belofte
- Voor je tweede klas ken je nog steeds al hetgeen je ook voor je wet en belofte moest kennen.
- De beknopte geschiedenis van scouting, FOS en de eigen eenheid kennen.
Patrouilleleven
- De noodzakelijke inhoud van een patrouillekoffer kennen.
Kaartlezen
- De metrische schaal kennen en kunnen gebruiken.
- De grafische schaal kennen en kunnen gebruiken.
- Een tocht op kaart kunnen afmeten met max 10 % fout.
- De betekenis van de kaartsymbolen kennen.
- Een afstand terugbrengen op kaart en de schaal van een kaart terugzoeken.
- Hoogtelijnen kennen en kunnen gebruiken : heuvels en dalen, steile en zachte hellingen herkennen.
- De 'vierkantennetten' (Lambert en UTM) kennen en een punt met gegeven coördinaten terugvinden.
- Coördinaten van een punt op kaart bepalen.
- Zelf een 'roomer' maken.
Oriënteren
Zich kunnen oriënteren door middel van :
- de zon
- een uurwerk
- de sterren
- 1 merklijn
- 2 merkpunten
- 2 richtingslijnen
Kompas en gebruik
- De 3 Noordens en het begrip 'declinatie' kennen.
- De begrippen 'azimuth', 'kaarthoek', en 'tegenazimuth' kennen.
- Een voorwerp in de natuur kunnen terugvinden met gegeven richting en afstand.
- De richting van een merkpunt in de natuur kunnen bepalen.
- Op kaart kunnen terugvinden wat zich in een bepaalde richting en op een bepaalde afstand bevindt.
- De richting en de afstand bepalen om een bepaalde plaats op kaart te bereiken.
- Bij nacht een richting lopen op kompas. (max. afwijking is 10 % van de afgelegde afstand)
Uniform
- Het correcte uniform kennen en weten waarom het gedragen wordt.
- Plaats en betekenis kennen van de kentekens.
Schatten
- Persoonlijke maten kennen.
- Persoonlijke pas kennen en de tijd kunnen schatten, nodig om een bepaalde afstand af te leggen.
- De breedte van een rivier bepalen door middel van
- de driehoeksmethode
- de methode met de steen
- Een hoogte bepalen door middel van
- methode van het potlood (= vergelijkingsmethode)
- neerklappen van de hoogte
Observatie
- De natuursporen kennen.
- Een natuurspoor volgen en zelf kunnen aanleggen.
Natuur
- De natuur niet bevuilen of beschadigen.
- 5 planten en 8 boombladeren kunnen herkennen en er iets over vertellen.
Telefoon
- Een degelijk telefoongesprek kunnen voeren.
- De nummers van de belangrijkste hulpdiensten kennen.
Treingids
- Een spoorboekje kunnen gebruiken.
- Voor de eigen tak een groepsbiljet kunnen aanvragen.
E.H.B.O.
- Weten wat te doen bij een ernstig ongeval.
- De inhoud kennen van een patrouille-EHBOzakje.
- Een eenvoudige wonde kunnen verzorgen.
- Weten hoe men te werk gaat bij het verzorgen van :
- een ernstige bloeding.
- een ernstige brandwonde.
- De werkwijze kennen voor het toepassen van mond-op-mond ademhaling.
- Een driehoeksverband aanleggen
- aan knie of elleboog.
- aan voorarm of been.
- Weten hoe en wanneer een gekwetste te transporteren.
- Zelf een noodbrancard kunnen maken.
Handvaardigheid
- Een gipsafdruk maken.
- Een lekke fietsband herstellen.
- Deelgenomen hebben aan 5 crea-activiteiten in de tak.
Morse
- Weten hoe een seinploeg en een ontvangstploeg op te stellen.
- 1 van de 3 manieren kennen om het morsealfabet te onthouden.
- De morsetekens kennen.
- Kunnen seinen met een fluitje, met vlaggen en met een lamp.
- Goed gebruik kunnen maken van de modernste communicatiemiddelen (vb, walkietalkie, GSM,...)
Bijl en zaag
- Kenmerken van een goede bijl kennen.
- Een handbijl veilig en goed kunnen gebruiken.
- Een handbijl kunnen onderhouden en herstellen.
- Weten hoe een boomzaag te gebruiken en te onderhouden.
- Een boomzaag veilig en goed kunnen gebruiken.
Knopen
- Weten hoe een touw te behandelen en degelijk op te rollen.
- Kennen en kunnen gebruiken:
- Achtsteek.
- Platte knoop.
- Timmermanssteek.
- Mastworp.
- Schootsteek of weversknoop.
- Paalsteek.
- Dubbele paalsteek.
- Galeisteek.
- Trompetsteek of verkortingsknoop.
- Vissersknoop.
- Bergbeklimmersknoop.
- Een vervangingsscheerlijn aanleggen.
Sjorren
- Kunnen maken van :
- Kruissjorring.
- Diagonaalsjorring.
- Driepikkelsjorring.
- Steigersjorring.
- Een ontwerp van een sjorconstructie schetsen en berekenen hoeveel en welke soort balken en touw er nodig zullen zijn.
Vuren
- Een tafelvuur kunnen maken en onderhouden.
- Een behoorlijk kampvuur kunnen maken en onderhouden.
- Brandbaarheid van de houtsoorten kennen.
Koken
- In staat zijn om een ganse dag te koken voor de patrouille.
- Een menu voor 3 dagen kunnen opstellen en de hoeveelheden voor de patrouille kunnen bepalen
Tent
- Weten hoe alle types van tenten, die op het kampterrein voorkomen, dienen opgesteld, onderhouden en afgebroken worden.
- Het bijhorend materiaal kennen en kunnen gebruiken.
Sport
- Een commandobrug van 10 m kunnen oversteken.
- Een variatie op een bestaand balspel aan de ganse tak geven.
- 45 punten behalen op de vijfkamp. (zie Teervoet Proevenboekje)